Links van mij hoor ik de tjiftjaf, rechts van mij hoor ik ganzen. Er raast een golfkarretje voorbij en een eindje verderop drijft een veertje op het water.
Toen ik aankwam en over de steiger naar de boot liep, voelde het wederom als thuiskomen. Ik moest glimlachen toen ik een scholekster uitbundig hoorde roepen, ‘We zijn er weer!! We zijn er weer!´
Ik dacht nog bij mezelf, deze heer is vast op zoek naar zijn partner en nu terwijl ik deze blog schrijf komen ze met z’n tweeën over vliegen. Precies over onze boot. Drie mannelijke eenden strijken neer achter onze boot, en zijn druk bezig met kwebbelen en poetsen. Hoe leuk om dat van zo dichtbij te bewonderen.
Het is nog rustig op de steiger, de achterbuurman is gelukkig gestopt met het schrobben van het dek, en hoop dat hij zich nu tegoed zal doen aan een fijne Duitse lunch.
Het groepje heren drijft van steiger C naar steiger D om daar een inspectie te verrichten.
Er staat een licht briesje, en de vlaggetjes die de meeste boten doen sieren, wapperen voorzichtig heen en weer. Het golfkarretje scheurt weer voorbij en parkeert zich netjes bij het havenkantoor.
Terwijl ik om me heen kijk hoor ik een wesp, en zie ik een eindje verderop een man zijn jacht inruimen. De Duitser heeft zijn schrobber ingeruild voor een zwabber en begeeft zich dus nog niet aan zijn lunch. Twee zwaluwen schieten voorbij en dat is misschien nog wel het allermooiste op deze 23ste april.
Ik kan me nog herinneren dat ik hier vorig jaar ook zat. In precies dezelfde week. Echter wel op een andere boot. Toen stond het kwik ruim 10 graden hoger op de teller dan vandaag, en was het vele malen drukker. Toch misdoet het er vandaag niet aan. Want ook met 13 graden vliegen er ganzen voorbij en zag ik de nijlganzen op de hoek van de haven met hun pasgeboren jongen zichtbaar genieten, en tegelijkertijd hun kroost bewaken.
Het zonnetje brandt op mijn rug, en er staat nog een verfrissend briesje, maar dat blijf je houden op een boot. Ik dein heerlijk op en neer en ik hoor alleen maar het geluid van verschillende vogels en een zwabber die zo nu en dan ergens tegenaan stoot op het dek van onze achterburen.
De bomen krijgen hun groene kleur, alles slaat weer uit. En nu combineert deze lichte kleur groen heerlijk tegen die blauwe lucht. Het is lente, het groepje heren drijft nu richting steiger B, de zwaluwen vliegen wederom voorbij en de vlaggetjes wapperen nog sierlijk heen en weer.
Het water glinstert in het zonnetje, het ligt redelijk strak, als je er alleen al naar kijkt, overspoeld dat gevoel van rust je volledig. Dat in combinatie met de rust en het zonnetje dat mijn rug verwarmt. En dat is uiteindelijk waar het om draait.
Het is vandaag 23 april 2026. Het is kwart over twaalf, en het lijkt erop alsof het leven op de steiger ontwaakt. Het middaguur heeft zich aangekondigd, mijn achterbuurman gooit zijn slang om de haspel en de tjiftjaf roept nog uitbundig. Het is tijd voor het middageten, en terwijl ik onder het schrijven van deze blog al een paar kaasblokjes heb weg geknabbeld, trek ik zo meteen dat flesje rosé open.
Het is vroeg, maar vandaag is zoń dag dat het kan, dat het mag. En alsof het nog niet genoeg is, hoor ik de haan kraaien van de boerderij naast de haven. Een beter moment voor een wijntje in het middagzonnetje bestaat er niet.
De man verderop is nog steeds druk met zijn jacht, het groepje heren zijn verkast naar de poel. De zwaluwen verkennen steiger C en het zonnetje straalt heerlijk aan de blauwe hemel. Het is 23 april, met veertien graden op de thermometer en ik zit hier in mijn rokje, te genieten van de dag die komen gaat.
Met in mijn achterhoofd de vraag of ik de kurkentrekker wel in mijn rugzak heb gestopt…
